Evolutie

Van Hooff besteedde uitdrukkelijk aandacht aan het concept “evolutie” zoals geformuleerd door Charles Darwin en later verder bevestigd, gedetailleerd, gemoduleerd en uitgewerkt door nieuwe generaties onderzoekers.  Een goed besef van wat evolutie betekent is fundamenteel om zijn verhaal op 15 november te kunnen volgen. Het Wikipedia artikel over de evolutietheorie kan niet tippen aan de begrijpelijkheid van het verhaal van van Hooff, maar de belangrijkste elementen vindt je HIER terug. Lees het even door. Belangrijk vond ik zijn nadruk op de veelal “foutieve” verkorting van Darwin’s concept: NIET “struggle for live and survival of the fittest”, MAAR: “struggle for live and survival of the most fitting” (zie de inleiding tot de cursus: daar ging ik zelf de fout in!). Het onderscheid tussen “beste” en “meest aangepast” werd en wordt verkeerd begrepen. Deze misvatting leidde o.a. tot het sociaal darwinisme in nazi Duitsland en vele andere landen.

Boeiend was van Hooff’s schets van  de wetenschappelijke en filosofische omgeving waarin Darwin zijn concept ontwikkelde. Dat de aarde veel ouder was dan 6000 jaar en de schepping iets meer dagen had gekost dan de 6 van de Schrift was in Darwin’s dagen al breed geaccepteerd. Dat organismen binnen een populatie variëren en eigenschappen overdragen aan de volgende generatie wist iedere boer reeds eeuwen. De ideeën van Malthus over de beperkingen die het milieu / ecosysteem oplegt aan de omvang van de mensheid werd door Darwin bepalend geacht voor de omvang van populaties van alle levensvormen. Individuen binnen een  soort, binnen een populatie van organismen, verschillen vrijwel altijd in geringe mate van elkaar in hun erfelijke aanleg (door spontane “ruis” in het erfelijk materiaal). Dit zal er veelal toe leiden dat de individuen ook verschillen vertonen in hun structuur en functioneren.  Het was Darwin’s geniale inzicht dat kan leiden tot verschillen in de efficiëntie en effectiviteit waarmee individuen reageren op de uitdagingen die hun milieu stelt. En dan kan het niet anders of de individuen die optimaler reageren (beter “aangepast” blijken te zijn) zullen een grotere kans op overleven hebben en daarmee – en dat is waar het op aankomt – als regel ook een grotere kans om zich voort te planten. Het is zodoende onvermijdelijk dat de erfelijke eigenschappen van die meer succesvolle individuen zich sterker zullen verbreiden in volgende generaties en uiteindelijk de minder succesvolle varianten zullen verdringen. Je kunt dit proces van natuurliojke selectie samenvattin in een zinnetje: “Het betere is de vijand van het goede”. Als zo’n veranderde populatie na tig generaties  “ever better fitting” nog eens goed wordt bekeken door de taxonoom, kan deze  besluiten dat effectief sprake is van een nieuwe soort. Evolutie is dan zichtbaar geworden.

Heeft evolutie een doel? Nee, die is doelloos. Hij is het simpele gevolg van de selecterende beperkingen die het milieu oplegt. De mens is, zuiver vanuit de biologie geredeneerd, ook niet het hoogst ontwikkelde dier.  Alle organismen die nu bestaan, of ooit bestaan hebben,  zijn “the most fitting” binnen de omgeving die voor hen op dat moment relevant is. Hun eigenschappen zijn “doelmatig”. Het is niet mogelijk daaraan een morele kwalificatie als “goed” of “slecht” toe te kennen.

Is wat “evolutionair doelmatig” en “natuurlijk” daarom ook moreel “goed?

Klik op de figuur en je wordt geleid naar een Youtube filmpje

Nee! Dit wordt treffend geïllustreerd door het onderzoek van Sarah Blaffer Hrdy. Zij promoveerde in 1979 aan Harvard University op een studie aan de langoeren van Abu, een apensoort uit India. Opvallend is massale infanticide, iedere keer dat een nieuwe haremleider opstaat en de oude verdrijft. De jongen, die nog afhankelijk zijn van hun moeder, worden meestal binnen enkele dagen na zijn troonsbestijging afgemaakt. Waarom? Bekijk eerst eens het beroemde filmpje dat BBC maakte.

De haremleider heeft zo’n 2 jaar de tijd om nakomelingen te verwekken. Daarna is hij opgebrand en wordt hij verdreven door een opvolger. Wijfjes hebben een zwangerschap van 7 maanden en zogen bijna 2 jaar. Pas daarna worden ze weer vruchtbaar en zijn beschikbaar voor de nieuwe haremleider. Als ze stoppen met zogen (omdat het jong zelfstandig werd, is doodgegaan of gedood)     zijn ze een maand later in oestrus.

Kortom, naarmate een mannetje efficiënter is in het vermoorden van de jongen van zijn voorganger, zal hij meer tijd hebben om nakomelingen te verwekken die al zelfstandig zijn als zijn opvolger hem van de troon stoot. Natuurlijk heeft dat mannetje geen flauw benul van de fitness consequenties die dit gedrag voor hem heeft. Die zijn dan ook niet de reden voor zijn gedrag. Hij komt ertoe omdat hij ervaart dat het de aanwezigheid van het jong is, die maakt dat het zogende wijfje weinig van hem moet hebben.

Het aantal vruchtbare vrouwtjes is beperkt, dus de meest infanticidale man is “most fitting” onder deze omstandigheden.  Infanticidale neigingen zijn daardoor de eerste natuur van deze soort geworden.  Infanticide  is niet goed of slecht, het is een feit. Het mag dan genetisch gunstig zijn voor de infanticidale man, dat neemt niet weg, dat de wijfjes en de jongen leven in angst en vreze en onder grote stress en dat de wijfjes, die er niet in slagen de ramp af te weren, duidelijk genetisch verlies lijden. “Goed” en “slecht” is in the eye of the beholder.

JWH (gecorrigeerd door Jan van Hooff)

 

TERUG NAAR INLEIDING